Amsterdam een bouwhistorische jungle
Kijkdag VOC-scheepshelling Oostenburg
Het leven van een Amsterdamse stadsarcheoloog gaat niet over rozen. Vrijwel alle historische steden in Nederland hebben een archeologische waardenkaart waarop de locaties in de stad staan aangegeven die historisch van belang zouden kunnen zijn, maar Amsterdam heeft zo'n kaart niet. Een Leidse hoogleraar noemde Amsterdam daarom 'een bouwhistorische jungle'.
Voordat een archeoloog kan graven moet de opdrachtgever van een bouwproject bewust worden gemaakt van de 'unieke' historische waarde van zijn grond. Als dat gelukt is, moeten de graafwerkzaamheden in een (meestal) veel te krap sanerings- en bouwschema gepast worden. Vaak is dit een lange en ingewikkelde weg. De VOC-opgraving op het eiland Oostenburg had daardoor bijna niet plaatsgevonden. Bas Kist van het Rijksmuseum vertelt dat 'de gemeente flink met de tanden had geknarst' voordat toestemming voor onderzoek gegeven werd. De gemeente wil liefst zo snel mogelijk aan het gebouw van de stadsreiniging beginnen dat hier op Oostenburg komt. Projectontwikkelaar IBC bood minder weerstand: ze betalen volgens Bas Kist zelfs mee aan het archeologisch onderzoek.
Een paar weken geleden was er een kijkdag voor pers en publiek bij de steeds langer wordende scheepshelling. De graafwerkzaamheden tonen een helling die groter is dan de gedachte vijftig meter. Vanwege het dalingspercentage van slechts zes procent is het bijna niet te zien dat de scheepshelling waarover in de zeventiende eeuw schepen het water in gleden ook echt een helling is. De kleuren van de grondlagen en het gebruik van baksteen of gewapend beton aan de rand van het gat, geven een samenvatting van de geschiedenis van dit deel van Oostenburg: van 'industrieel hoofdkwartier' van de Verenigde Oostindische Compagnie, via de Werkspoor-fabrieken van spoorwegmaterieel en bruggen, naar de laatste fase die tot voor kort duurde: Stork Diesel.
De helling draagt volgens archeoloog Wiard Krook van de dienst Amsterdam Beheer opvallend weinig sporen van slijtage. Misschien is zij weinig gebruikt, maar er kan ook een tweede 'vloer' boven de nu zichtbare bovenkant gezeten hebben. Er zijn echter geen resten van teruggevonden. Het hout zou in het begin van de negentiende eeuw door arme buurtbewoners geroofd kunnen zijn. Men schuwde in die tijd zelfs niet de kisten op het naburige Pieters- of Pestkerkhof op te graven en het hout voor andere doeleinden te gebruiken.
Conservering van de helling is vanwege de torenhoge kosten niet mogelijk: blootgesteld aan de lucht verandert het hout nu binnen een week in een soort pulp, zegt Krook. Of deze helling daadwerkelijk gebruikt is voor de bouw van grote VOC-schepen als de Amsterdam, die bij Hastings in de modder ligt, is niet duidelijk. De helling is er in ieder geval groot genoeg voor, volgens Krook. Het zou ook een helling kunnen zijn voor 'pakketschepen': ranke schepen die sneller in het verre Indië waren dan hun grotere maar ook plompere soortgenoten.
Vreemd is dat er bijna geen gereedschap en materiaal gevonden is dat gebruikt werd in en bij de scheepsbouw. Wel werd er allerlei 'normaal' spul gevonden in de hier aangeplempte modder die afkomstig is uit de binnenstad: tegeltjes, scherven en dergelijke. De archeologen en de Buurtwerkgroep Stork menen dat er meer onderzoek moet volgen naar de twee andere scheepshellingen die meer naar het westen op het eiland liggen. Het ziet er echter naar uit dat hier geen gehoor aan gegeven zal worden, want de gemeente wil de betonnen vloer in de naastliggende fabriekshal behouden. De buurtwerkgroep laat het hier echter niet bij: een raadsadres moet uitkomst bieden. Dit lijkt helaas een noodzaak en normaal te zijn in de Amsterdamse bouwhistorische jungle.
Chris Heemels
Terug naar index