Piraten op de bandenboot
Het is herfst. Rode, gele en bruine bladeren waaien door de straten. Kim en Tim schoppen met hun laarzen de bladeren hoog de lucht in. Dan lopen ze het parkje van Oostenburg in. "Dit is een doolhof," zegt Kim als ze langs de heggen sluipen.
"Ja," zegt Tim, "en in het midden van het doolhof ligt een schat."
Ze kijken naar 'de balfontein'. Het water stroomt er zacht overheen. Kim geeft een duw tegen de grote stenen bal. Langzaam draait hij rond. "Dit is een verdwaalde kanonskogel van vroeger," zegt Tim. Hij geeft een nog hardere duw tegen de bal. "Van piraten," knikt Kim.
Ze lopen verder naar het speeltuintje. Ze klimmen in het klimrek, wippen op de wipkippen en glijden van de grote rode kater. De wind waait koud om hen heen. "Ik vind het saai," zegt Tim, "Laten we naar huis gaan."
"Nee, laten we naar het piratenschip gaan," roept Kim.
Tim lacht. "Er is hier geen piratenschip."
"Wel waar," zegt Kim , "kom maar mee."
Ze lopen langs de touwbaan en steken de grote straat over. Voor hen ligt de ezelsbrug. "Mijn schip ligt voor de brug," zegt Kim. Ze begint te rennen. "Het is helemaal jouw schip niet," roept Tim.
Op de kade, naast de gracht ligt de bandenboot. De wind suist door de gaten en kieren. De blaadjes van de bomen dwarrelen vrolijk rond de masten. Kim klimt op de zware banden het schip in en Tim volgt. "Ik ben de piratenkapitein," roept Kim. Haar blonde haren wapperen in de wind. "Meisjes kunnen geen kapitein zijn," zegt Tim. Hij raapt een lange tak op die op de bodem van de boot ligt. "Wellus," roept Kim, "meisjes zijn de beste kapiteinen van de wereld." Ze klimt omhoog in de mast. "En ik kan ook beter klimmen dan jij."
"Pas op, of ik rijg je aan mijn zwaard," roept Tim. Dreigend zwaait hij met zijn tak. Ineens begint het schip hard te wiebelen. Drie jongens klimmen aan boord. "Enteren," gillen ze.
"Ga van mijn schip af," roept Kim, de piratenkapitein. Ze glijdt snel langs de mast naar beneden. "Ik rijg jullie aan mijn zwaard," roept Tim, de levensgevaarlijke piraat. Hij steek zijn stok naar voren. De drie jongens lachen. Ze staan aan het achtereind van het schip. Tim staat bij de voorplecht en Kim houdt zich met een hand vast aan de voorste mast. Langzaam lopen de jongens naar hen toe.
"Wij zijn toch niet bang voor jullie." Kim balt haar vuisten. "Wij zijn gevaarlijke piraten."
"Jullie moeten uitkijken," schreeuwt Tim terwijl hij met zijn tak in de lucht zwaait. De jongens lachen. Maar dan ineens schiet er een bliksemflits door de lucht en vlak erna klinkt een enorme donderslag. Harde regenstralen vallen op de piraten neer. De piratenkapitein en de levensgevaarlijke piraat maken zich op voor een strijd tussen leven en dood. De bandenboot slingert heftig heen en weer. Het water uit de gracht klotst over de kade.
De grootste van de drie jongens geeft de anderen een duw. "Schipbreuk," roept hij, "Verlaat het schip!" De drie jongens draaien zich om en klimmen van het schip af. Dan rennen ze in de stromende regen weg. Over de ezelsbrug. Kim wijst lachend naar de vluchtende jongens. Tim pakt haar hand. "Kom we varen naar huis, superpiratenkapitein."
Hilde Klein
Terug naar index